Direct naar content

Aanpassen woningvoorraad

Het ministerie van WWI heeft in april 2010 een onderzoek uitgebracht genaamd 'Senioren op de woningmarkt'. Het rapport verkent de invloeden van de belangrijkste veranderingen op woonwensen, voorkeuren en gedrag van de komende generaties ouderen.

Senioren op de woningmarkt
Het ministerie constateert een toenemende behoefte aan grotere, grondgebonden (koop)woningen die tegelijk volledig toegankelijk zijn. Drie kamers is qua grootte eigenlijk wel de minimumnorm. Van de totale groep van 55-plussers woont anno 2006 ongeveer 2/3 in een eengezinswoning en in de koopsector is dat 86%. Wil je voor deze mensen een verleidelijk perspectief bieden bij verhuizing, dan zul je er rekening mee moeten houden zij nu, vaak als tweepersoonshuishouden, een grotere eengezins(koop)woning als vertrekpunt hebben.

Trends ouderen
Vrijwel alle ontwikkelingen inzake ouderen (beter inkomen, hogere opleiding, meer ruimtebehoefte, hogere mobiliteit, extramuralisering, meer eigenaar-bewoners, meer mogelijkheden van zorg thuis, etc.) die het onderzoek aan de orde stelde, dragen bij aan een verdere afname van de dynamiek op de woningmarkt. De meeste trends die leiden tot een veranderende populatie ouderen convergeren in één uitkomst: een sterkere wens om niet te verhuizen en langer zelfstandig te blijven wonen. Deze wens leidt ertoe dat de vraag naar nultredenwoningen sterk tot uiting zal komen in de bestaande voorraad. Als vanuit de vraag wordt geredeneerd, leidt dat tot een versterkte inzet op woningaanpassingen ten opzichte van nieuwbouw. Vooral in de koop en slechts voor een deel in de huur.

Laagland’advies is voorbereid op deze trends. Wij passen landelijke kengetallen toe op lokale demografische ontwikkelingen. Daarmee ramen we de toekomstige vraag naar woningen, woonvormen en woonzorgcombinaties voor ouderen in uw gemeente. Ook bekijken we of de bestaande voorraad eengezinswoningen en meergezinswoningen geschikt is voor ouderen. Met welke maatregelen kunnen we deze woningen goedkoop opplussen, zodat later het beroep op de WMO minder wordt?